Huisje van Majutte, Blankenberge   

Tekst: Emile Verhaeren 22 juli 1882           (vertaling: Cis Kennes) 

 

“Een wonderbaarlijk huisje met zo mogelijk nog wittere muren, nog groenere vensterluiken, en nog fellere dakpannen dan de bouwseltjes er rond. 

Ach, zo’n huisje moest men boetseren, het onder een stolp zetten, en het opsturen naar tentoonstellingen onder uitdrukkelijk verbod er een schouwgarnituur van te maken. 

Het dak glimt als een schoudermanteltje van een kardinaal. 

En de deur? Zo laag dat een kat zich moest bukken om binnen te geraken. 

De vensters hangen in kadertjes van geglazuurde tegels, met primitieve taferelen van dolfijnen die water spuiten, purperen molentjes met draaiende wieken, dobberende schepen met roze Klein Duimpjes erin, en verder de hele gewijde geschiedenis met Petrus die op het water wil lopen, Jezus die de Samaritaanse vrouw ontmoet, en de vlucht naar Egypte onder het aureool van een paarse parasol. 

Het huisje heeft zowaar een authentieke topgevel, een mutsje van steen dat het al meer dan 200 jaar draagt, hoog en fier, ondanks de razernij van de winden. 

En ik zweer U dat het niet overhelt op zijn oor, want dat huisje is eerlijk: het krioelt er van de kleine kinderen, men verdient er zijn brood. 

Men sjouwt er, men zwoegt er, en die ouwe bonk daar, die ouwe zeewolf op de dorpel, die gelooide, gedroogde, gebakken en herbakken oude man, met zijn geweldige vuisten, en zijn Herculesschouders, knokt en vecht nog elke dag van zijn hondenleven tegen de storm en tegen de zee...”